Cantate "Alles was ihr tut" BuxWv 4
Dietrich Buxtehude
Uitgevoerd op 21 september 2002
Het is november 1705.
Een 21-jarige jongeman komt aan in de Duitse stad Lübeck. Hij heeft er een voetreis van een kleine 300 km op zitten om van zijn woonplaats Arnstadt in Thüringen helemaal naar Lübeck te komen. Dan moet je wel een heel bijzondere reden hebben om een dergelijke reis te ondernemen.
Johann Sebastian Bach had een reden: hij wilde de dan 68-jarige organist Dietrich Buxtehude horen en ontmoeten. Buxtehude gold in zijn tijd als een fenomeen. Van heinde en ver kwamen mensen naar de Marienkirche waar hij organist was. Vooral bekend is hij geworden vanwege de concerten onder de naam "Abendmusiken" die hij, in navolging van zijn voorganger Franz Tunder, in Lübeck organiseerde.
Ongetwijfeld heeft de cantate "Alles was ihr tut" op het programma van een "Abendmusiken"-concert gestaan. Wanneer Buxtehude dit werk componeerde is niet bekend.
Als uitgangsthema heeft hij gekozen voor een tekst uit het bijbelboek Kolossenzen, hoofdstuk 3, vers 17: "En al wat gij doet met woord of werk, doet het alles in de naam van de Here Jezus, God de Vader dankende door Hem".
Na een instrumentaal openingsdeel zingt het koor de toonzetting van deze tekst. Men heeft weleens aangeduid dat deze tekst de arbeidsmoraal weergeeft van de kooplieden uit Lübeck, namelijk alles te doen in Jezus naam. In het koraal van deze cantate komt dat terug bij de woorden van de tweede strofe:"Daarop strek ik mijn hand uit en pak het werk met vreugde aan, waartoe God mij in mijn beroep of ambt heeft geroepen".
Na het koordeel "Alles was ihr tut", wordt de instrumentale openingssonate herhaald en vervolgt het koor met een aria. Opmerkelijk is dat Buxtehude de aria vierstemmig heeft voorgeschreven, terwijl we bijvoorbeeld bij Bach een solistische voordracht van de aria's kennen. Kenmerkend voor de stijl van Buxtehude zijn de instrumentale tussenspelen tussen de regels van de drie strofen waaruit deze aria bestaat. "Ik ben bereid alles op te offeren, o Allerhoogste," zingt het koor, "om plichtsgetrouw de prijs te betalen die U, God, in het leven van mij vraagt. Richt Uw hart op ons, zodat wij daar wel bij varen."
Na deze kooraria zingen de bassen de woorden van psalm 37:4 "Verlustig u in de HERE; dan zal Hij u geven de wensen van uw hart". Deze woorden vormen een antwoord op de tekst van de derde strofe van het voorgaande deel: "Vater hilf uns, (...) unser Wünschen zu erfüllen".
Direct aansluitend aan dit deel voor de bassen heeft Buxtehude een koraal geplaatst, waarvan de eerste strofe door de sopranen wordt gezongen en de tweede vierstemmig door het hele koor. Het deel wordt gevormd door de 6e en 7e strofe van het koraal "Aus meines Herzens Grunde" van Georg Nieges, op een anonieme melodie uit de 16e eeuw. Ook hier hoort u weer die voor Buxtehude zo kenmerkende instrumentale tussenspelen na de regels van het koraalvers.
Een kort instrumentaal tussenspel na het koraal vormt de overgang naar het laatste deel van deze cantate, een herhaling van de woorden van het openingskoor "Alles was ihr tut". Buxtehude laat daarbij het begin ongewijzigd, maar schrijft op de woorden "Und danket Gott" in een meer virtuoze stijl, uitlopend op een gezamenlijke afsluiting door koor en orkest op de woorden "und dem Vater durch ihn."